Sterven na je slaap

Ik lees ‘Why we sleep’ van een neurowetenschapper uit Amerika. Wetenschap voor de Massa, zo’n boek. Ik slaap dus al jaren verkeerd, weet ik nu, en vooral te kort. Ik zal vroeg doodgaan. Jij ook. Stierf je vroeger aan hard werken, roken of gewoon aan gebroken harten, nu aan slaaptekort.

Ik ga hier niet dat boek bespreken hoor, lees het zelf maar. ’t Is vlot geschreven – laat dat maar aan goedgeluimde Amerikaans neuro-professors met een Creative Writing-coursje in the pocket over. Want Matthew Walker is, behalve dan dat-ie massale sterfte aankondigt, erg positief: er gebeuren fantastische dingen in je slaap. Je neurotransmitters krijgen ’s nachts een uitgebreide onderhoudsbeurt, je hersengebiedjes die wat vertroebeld zijn geraakt door muizenissen, verplichtingen en andere overdagse ellende, worden ’s nachts schoongeveegd. Slapen maakt slim.

Dan dromen. Dromen is fantastisch voor je persoonlijkheid; je wordt er zo geláágd van. En oh, dit weetje moet ik even delen: wist je dat je tijdens je REM-slaap, dus als je ligt te dromen, lichamelijk verlamd ligt te wezen? Compleet non-actief! Al je spieren op nul! Dat heeft Moeder Natuur (Walker prijst haar in zowat elk hoofdstuk de hemel in; wát een MeesterOntwerpster!) zo bedacht, omdat we anders onze dromen zouden kunnen gaan eh… doen. Wel ’s gedroomd dat je bloot door de lucht vloog? Ik wel. Wel ’s gedroomd dat je achter het stuur van een rijdende auto zat en het maar moest uitzoeken verder, 8 jaar oud en geen rijbewijs? Ik wel. Zonder die tijdelijke lamlegging zou het een bloederige bende worden, ’s nachts.

Zoals popular science-schrijvers wel vaker van mij gedaan krijgen, ben ik nu bang. Bang om te snel te sterven. Ik weet dat ik over de helft ben, dat sowieso, niet erg, kan ik prima mee leven, maar volgens Walker gaat dát dus juist niet door. Want vanaf nu gaat het enkel nog bergafwaarts. Mits ik vannacht doodwerkelijk (een freudiaanse tikfout! Ik wilde écht ‘dáádwerkelijk’ tikken) 8 uur slaap. En morgennacht weer. En straks na het Boekenbal ook, en straks na het wijndoordrenkte goeie en dus lange gesprek met vriendin X ook, en na mijn eigen verjaardagsfeestje ook weer. 8 uur. Niet minder. Elke nacht. Anders krijg ik stress, depressies, burnout, alzheimer, kanker, pukkels, vetzucht, kalknagels en alvast ruzie met mijn kinderen over hoe lang ze mijn grafrechten moeten betalen.

Toch wil ik Why we sleep’ uitlezen, ook al weet ik dat ik aan minstens 10 van de 13 tips om aan 8 uur per nacht te komen niet kan tippen. Want al ben ik dan een bange haas, voorzichtig optimistisch ben ik eveneens. Ook voor de arme drommels die niet meer dan 6 tot 7 uur volslapen, is veel moois te halen uit de magic shit die ook in hun karige slaapuren happens. Iets met creatieve ontplooiing, verwerken van rottigheid, je medemens beter begrijpen, een wiskundige formule ontvouwd zien worden, je kijvende buurvrouw kunnen vergeven. Ja, ik geloof dat ik al slapend, zelfs al doe ik het niet lang genoeg, tot meer bijzonders in staat ben dan in mijn blootje over de hei te vliegen.

En nu nog even een gedicht. ’t Is een schrijfopdracht die ik mijn schrijfcursisten liet doen voor hun laatste les vorige week. Ik deed ‘m zelf ook. Vrij (maar niet te vrij) naar het gedicht ‘Ik, ik, ik’ van Remco Campert. Komt-ie. Proost en welterusten.

Ik, ik, ik

ik heb een feest in de fles
ik heb 50 in the pocket niks ernaast
ik heb versleten knieën
in mijn spijkerbroek gedanst gezweet gedaan
ik heb geen reden om te rouwen
ik heb wel gekerfstokt, zo hier, zo daar
in elk huis ligt wat spijt onder een tapijt
ik heb vrienden gemaakt verwond gehouden
ik heb kaartjes op de bus gedaan
ik heb voorraad in te slaan
ik heb een fissafuif te regelen. Ik heb
nog tijd onder de kurk.