Bloedverwanten

Ik zit klem tussen twee mannen: mijn vader en mijn zoon. In beide ben ik teleurgesteld, en dus val ik mezelf ook zwaar tegen.

De een is een wakkere anti-vaxer, de ander is 17. Bij de eerste kan ik nog proberen mijn schouders erover op te halen; hij heeft nooit écht geparticipeerd in mijn leven. Maar mijn zoon is een ander verhaal, die is mijn leven. Dat mag ik van een paar mensen die veel van mij houden niet vinden – ik moet over mijn eigen welzijn waken en hem loslaten, ik kan toch geen verschil meer maken, “hij wil dit zélf”.

Zeventien.
Ik ben zo bang dat hij de 18 niet haalt.
En als dat toch lukt, zal ik daarna bang zijn dat hij z’n 19e niet haalt.
En als… ja.

Hij doet en verdomt wat hordes 17-jarigen doen en verdommen. Met oortjes in fietsen. Zijn kamer passief-agressief laten evolueren tot varkenskot. Laat thuiskomen. Vreemde vrienden. Drinken. Roken. Blijven zitten. Een scooter willen. Baardhaar in de wasbak laten liggen. En nog meer dingen, dingen waar ik geen weet maar wel zo’n vermoeden van heb.

Vorig jaar bracht een cocktail van dat soort dingen mijn zoon in een parallelle wereld. Niemand kon hem daar bereiken, maar uit het akelige wat ik er aan de buitenkant van meekreeg, schatte ik die wereld in als gevaarlijk. Oorlogsgebied. Hij kwam, maanden later, terug. Gehavend en gesloten, en het laatste restje Vrolijke Jongen dat nog in zijn 1.80-lange lichaam leefde, was daar achtergebleven.

Hij praat er niet over, herinnert zich ook niet veel, zegt-ie. En vindt mijn plaatsvervangende doodsangst voor terugval natuurlijk bloedje irritant. ‘Zit niet zo op m’n nek’, zegt-ie, en verdwijnt, de stad in.

Mijn vader heeft, in tegenstelling tot mijn zoon, zijn parallelle wakkere wereld zélf gekozen. En geen haar op zijn hoofd wil terug naar de mainstream wereld. ‘Alles is energie’, zegt hij, ‘en alles wat ik nog hoef te doen, is zorgen dat ik het leuk heb.’ In het ziekenhuis – iets met zijn longen – heeft hij ook dat griepje gehad. De enige krant die hij leest, is De Andere.

In beide mannen stroomt vijftig procent van mijn DNA, en in beiden kan ik me niet verplaatsen.
Ik denk niet dat de oudste nog eens langskomt. Maar lieve moeder Maria, laat de jongste toch weer gewoon thuiskomen vanavond. Dondert niet hoe laat.